De raadselachtige ondergang van de dinosauriërs
 
Gedurende 165 miljoen jaar waren de dinosauriërs de onbeperkte heersers op aarde, die ze met ontelbare soorten bevolkten. Toen verdwenen ze plotseling. Waarom stierven ze uit? Met deze vraag houden paleontologen zich al lange tijd bezig.
Ongeveer 230 miljoen jaar geleden, tegen het einde van het Trias, verschenen de dinosauriërs op aarde. Ongeveer 165 miljoen jaar lang waren zij er heer en meester. Nu zijn van hen alleen nog enkele sporen en fossiele botten over. Deze resten zijn de enige aanknopingspunten voor de reconstructie van de fantastische wereld van de dinosauriërs. Maar hoe zagen de reusachtige dieren eruit? Hoe gedroegen ze zich? Hoe konden ze zo lang over de aarde heersen en waarom verdwenen ze? Al bijna twee eeuwen proberen paleontologen een antwoord te vinden op de vele vragen.
 
 
Reptielen of zoogdieren?
 
Tot nu toe zijn er bijna vijfhonderd dinosauriër soorten bekend - waarschijnlijk nauwelijks één procent van de soorten die ooit hebben geleefd. De gemeenschappelijke kenmerken van de dinosauriërs zijn een geschubde huid en hardschalige eieren, waardoor ze tot de klasse der reptielen behoren. De naam dinosauriër betekent "Verschrikkelijke hagedis" (Grieks deinos = verschrikkelijk, sauros = hagedis).
Bepaalde kenmerken zijn echter atypisch voor de reptiellen zoals we die nu kennen. Zo plaatsten dinosauriërs hun poten bij het lopen recht onder het lichaam (bij de tegenwoordig nog voorkomende reptielen staan deze aan de zijkant van het lichaam), waardoor hun manier van voortbewegen meer lijkt op die van zoogdieren en vogels. Bovendien vertoont hun skeletbouw veel overeenkomsten met die van vogels. Moeten we daaruit afleiden dat dinosauriërs geen koudbloedige maar warmbloedige dieren waren? Aan het einde van de jaren zestig bracht de Amerikaanse paleontoloog Robert Bakker de vakwereld in beroering. Hij beweerde dat de dinosauriërs hun lichaamstemperatuur onafhankelijk van uitwendige schommelingen constant konden houden - in tegenstelli8ng tot de koudbloedige reptielen, wier lichaamstemperatuur zich aan de omgeving aanpast.
Voor de onderbouwing van zijn theorie gebruikte Bakker verschillende argumenten. Reeds aan het begin van hun 165 miljoen jaar durende heerschappij waren de dinosauriërs in staat de vele klimaatsveranderingen op aarde te overleven. Ze hadden typische kenmerken van warmbloedige diersoorten: het waren actieve dieren met een grote hard- en longinhoud, die snel groeiden en zich voortplantten. Bovendien bracht gedetailleerd onderzoek van botten en structuur aan het licht die lijkt op de botstructuur van zoogdieren en behoorlijk afwijkt van die van reptielen.  Tegenstanders van de theorie van Bakker opperen dat de stofwisseling van warmbloedige dieren regelmatige voedselopneming vereist en deze regelmaat belangrijker wordt naarmate het gewicht toeneemt. Een leeuw bijvoorbeeld moet tien keer zoveel vlees eten als een krokodil van dezelfde grootte. Als we dan bedenken dat sommige sauropoden in hun eentje groter waren dan vijftien olifanten, die dagelijks al 135 tot 270 kilogram voedsel eten, hoe konden deze dinosauriërs zich dan van voldoende energie voorzien? Veel experts denken inmiddels dat de dinosauriërs wellicht een bijzondere stofwisseling hadden die in de huidige natuur niet meer voorkomt.
 
 
Gigantisme
 
Verder is het volledig onverklaarbaar waarom landdieren zo reusachtig groot werden. Met zijn lengte van 23 meter en hoogte van 12 meter was de Brachiosaurus niet eens de grootste dinosauriër. De Supersaurus en de Ultrasaurus werden respectievelijk 30 en 35 meter lang en 15 en 17 meter hoog; hun gewicht moet bijna 100 ton hebben bedragen. De titel van superzwaargewicht is echter in handen van de Seismosaurus, een vermoedelijke neef van Diplodocus, waarvan slechts enkele botstukken zijn gevonden. Het is mogelijk dat de Seismosaurus 40 of zelfs 50 meter (vier of vijf autobussen) lang was. Paleontologen onderzoeken nog altijd de aanhechting van spieren en pezen aan de botten om te verklaren hoe deze giganten zich konden bewegen.
Aan de andere kant van de scala staat de Compsognathus, die niet groter werd dan een kalkoen. Van snuit tot staarteinde mat hij 70 centimeter en hij was slechts 30 centimeter hoog. Een uitzondering? Nee, er zijn veel aanwijzingen dat menige dinosauriër niet groter werd dan een hond. Men weet overigens dat de grootste hagendissensoorten pas in de loop van miljoenen jaren hun aanzienlijke afmetingen bereikten. Het voordeel van dit toenemende gigantisme kan zijn geweest dat een reusachtig lichaam langzamer afkoelt. Als het volume van een dier toeneemt, wordt de oppervlakte die warmte afgeeft namelijk relatief kleiner, waardoor er minder warmteverlies optreedt. Het enorme volume van de sauropoden was dus ongetwijveld een uitstekende methode om de temperatuur te regelen; dit noemt men in de wetenschap gigantothermie.
 
 
Het mysterieuze uitsterven
 
Rest nog de vraag waarom de dinosauriërs 65 miljoen jaar geleden volledig van de aardbodem verdwenen. Als een van de mogelijke antwoorden hierop stelde Walter Alvarez, geofysicus aan de universiteit van Berkeley in Californië, de hypothese op dat de heersers van het Mesozoïcum door de gevolgen van de inslag van een meteoriet zijn vernietigd. Als bewijs hiervoor diende een koolstofhoudende gesteentelaag op degrens van gesteente uit het krijt en het Tertiair, die hij in de regio Umbrië (Italië) had ontdekt. De ouderdom van deze laag werd met behulp van zeer precieze dateringsmethode vastgesteld op 65 miljoen jaar. De laag stamt dus uit de periode waarin de dinosauriërs uitstierven. Daarnaast bevatte de laag veel iridium, een edelmetaal dat doorgaans in zeer geringe hoeveelheden in de aardkorst voorkomt, maar in aanzienlijke hoeveelheden in planetoïden en kosmisch stof. Het gesteentemonster dat Alvarez had genomen, had een iridiumgehalte dat 35 keer zo hoog was als normaal.
Bovendien werden in de gesteentelaag merkwaardige kwartskristallen aangetroffen. Deze bleken bij microscopisch onderzoek vervormingen te vertonen die normaal bij kwarts niet voorkomen. Deze vervormingen schreef men toe aan een botsing met zeer hoge snelheid. Alvarez concludeerde daaruit dat een meteoriet van circa tien kilometer in doorsnede de aarde met een snelheid van meer dan 100 000 kilometer per uur heeft geraakt en een krater met een doorsnede van circa 150 kilometer heeft geslagen. Hierna hulde een extree, dichte stofwolk de hele planeet in het duister. 
Bij gebrek aan zonlicht stierf de vegetatie, wat voor planteneters en vervolgens ook de vleeseters de dood betekende. Na het optrekken van de dichte stofsluier waren de weinige dieren die de catastrofe hadden overleefd aan extreme levensomstandigheden blootgesteld. De energie die was vrijgekomen door de kosmische botsing had namelijk geleid tot een reeks natuurrampen, zolas sormen en vloedgolven, en een verzengende hitte die door de opwarmning van de atmosfeer nog werd versterkt. De zuurstof en stikstof in de lucht werden zo sterk verhit dat zich vermoedelijk salpeterachtige zuren konden vormen, waardoor een milieu ontstond dat voor veel organismen levensbedreigend was. Ongeveer gelijktijdig met de dinosauriërs stierf bijna vijftig procent van alle overige levensvormen op aarde uit.
 
 
Afstammelingen van de dinosauriërs
Voor de hypothese van Alvarez zijn intussen nog meer aanwijzingen gevonden: op verschillende continenten werd in gesteente uit het Laat-Krijt een afwijkende hoeveelheid iridium aangetroffen. Bovendien werd in 1990 aan de Mexicaanse kust bij Yucatán een enorme krater ontdekt die door de genoemde meteoriet kan zijn geslagen. De theorie wordt echter niet algemeen erkend. Volgens sommige wetenschappers ligt de oorzaak van de catastrofe op de grens van het Krijt en het Tertiar in valkaanuitbarstingen in het Hoogland van Dekan (India). Daar zou aan het einde van het Krijt in minder dan 500 000 jaar een enorme lava-massa zijn uitgestort die een gebied twee keer zo groot als Frankrijk onder een soms wel vier kilometer dikke laag lava bedekte. Ten gevolge van enorme wolkenmassa's van rook en stof zou daarna het klimaat ingrijpend zijn veranderd en een groot deel van het leven op aarde zijn vernietigd. 

Het grote benen nekschild van Triceratops was niet alleen bestemd voor de verdediging, maar diende wellicht ook om te imponeren of de lichaamswarmte te helpen regelen.
Of er nu meteorieten of vulkanen aan te pas kwamen - sommige wetenschappers beweren dat de dinosauriërs toch al met de ondergang waren bedreigd, want 73 tot 65 miljoen jaar geleden was reeds zeventig procent van alle dinosauriërs als gevolg van de evolutie uitgestorven. Uitsterven hoort immers evenzeer bij de evolutie als het ontstaan van nieuwe levensvormen. Er hebben tot nu toe vele miljoenen soorten bestaan, waarvan een heel groot deel inmiddels weer verdwenen is. Gemiddeld bestaan soorten een paar miljoen jaar. Sommige paleontologen zijn er echter van overtuigd dat er ook nu nog afstammelingen van de dinosauriërs zijn: de vogels. En getuige films als Jurassic Park leven zij in ieder geval in de verbeelding voort.
 

Bron: "De laatste grote mysteries" van Reader's digest