| Rest nog de vraag waarom de
dinosauriërs 65 miljoen jaar geleden volledig van de aardbodem
verdwenen. Als een van de mogelijke antwoorden hierop stelde Walter
Alvarez, geofysicus aan de universiteit van Berkeley in Californië,
de hypothese op dat de heersers van het Mesozoïcum door de gevolgen
van de inslag van een meteoriet zijn vernietigd. Als bewijs hiervoor
diende een koolstofhoudende gesteentelaag op degrens van gesteente
uit het krijt en het Tertiair, die hij in de regio Umbrië (Italië)
had ontdekt. De ouderdom van deze laag werd met behulp van zeer
precieze dateringsmethode vastgesteld op 65 miljoen jaar. De laag
stamt dus uit de periode waarin de dinosauriërs uitstierven.
Daarnaast bevatte de laag veel iridium, een edelmetaal dat doorgaans
in zeer geringe hoeveelheden in de aardkorst voorkomt, maar in
aanzienlijke hoeveelheden in planetoïden en kosmisch stof. Het
gesteentemonster dat Alvarez had genomen, had een iridiumgehalte dat
35 keer zo hoog was als normaal. |
 |
Bovendien werden in de gesteentelaag
merkwaardige kwartskristallen aangetroffen. Deze bleken bij
microscopisch onderzoek vervormingen te vertonen die normaal bij
kwarts niet voorkomen. Deze vervormingen schreef men toe aan een
botsing met zeer hoge snelheid. Alvarez concludeerde daaruit dat een
meteoriet van circa tien kilometer in doorsnede de aarde met een
snelheid van meer dan 100 000 kilometer per uur heeft geraakt en een
krater met een doorsnede van circa 150 kilometer heeft geslagen.
Hierna hulde een extree, dichte stofwolk de hele planeet in het
duister. |
| Bij gebrek aan zonlicht stierf de vegetatie, wat voor
planteneters en vervolgens ook de vleeseters de dood betekende. Na het optrekken van de dichte
stofsluier waren de weinige dieren die de catastrofe hadden
overleefd aan extreme levensomstandigheden blootgesteld. De energie
die was vrijgekomen door de kosmische botsing had namelijk geleid
tot een reeks natuurrampen, zolas sormen en vloedgolven, en een
verzengende hitte die door de opwarmning van de atmosfeer nog werd
versterkt. De zuurstof en stikstof in de lucht werden zo sterk
verhit dat zich vermoedelijk salpeterachtige zuren konden vormen,
waardoor een milieu ontstond dat voor veel organismen
levensbedreigend was. Ongeveer gelijktijdig met de dinosauriërs
stierf bijna vijftig procent van alle overige levensvormen op aarde
uit. |
|